Verpakt per 200 gram
L. Fam. Leguminosae. Boesningré kandra, Iengi kandra, Loksi, n.e. Lokus, sur. Kawanalli, arow. Simiri, kar. Locust, bov. e. In de houthandel ook Surinaamsche teak genoemd. Zeer grootte boom met tweetallig samengestelde bladeren, waarvan de blaadjes zeer scheef zijn. Het roodbruine hout is geschikt zowel voor timmer- als voor meubel hout en werd vroeger veel gebruikt in de suiker molens. De stam scheidt een hars (kopal) uit, waarvan de Bosnegers en Indianen toortsen maken. De vruchten zijn groote, houtachtige peulen, zeer hard van schaal, de zaden omgeven door een droog, vezelig, bruingekleurd vlees dat een sterke Limburgsche-kaas-lucht verspreidt, welke de naam kaka-njan-bosoe, die de Bosnegers aan de vrucht geven, rechtvaardigt. (Zie Van Stockum, Verslag der Saramacca-expeditie, blz. 248).
De stam van de Lokusboom (Hymenea courbaril) scheidt een barnsteen achtige hars uit, die dikwijls aan klompen tegen de stam zit, als kopal in de handel komt en als zodanig gebruikt wordt. Aan de penwortel vindt men deze hars in grootte massa en in zeer zuiveren toestand. Niet zelden levert één boom 15 Kilo van deze aard-kopal.
Bron:www.dbnl.org